We reizen inmiddels al meer dan 2 weken door Bolivia, tijd dus voor een blogupdate. Vanuit Putre staken we de grens over naar La Paz, de hoogste hoofdstad ter wereld (al is het dan onofficieel, want eigenlijk is Sucre de echte hoofdstad van Bolivia). Onderweg merkten we direct het verschil met Chili en Argentinië. De huizen zien er veel armoediger uit (en vele staan onafgewerkt), de wegen zijn in veel slechtere staat en door de vele kraampjes en het chaotische straatleven waanden we ons weer even in Nepal of India. Bolivia is dan ook het 2e armste land van Zuid-Amerika.
In La Paz sliepen we in de wijk ´Mercado Buenos Aires´, waar veel Aymara-mensen wonen, een van de oorspronkelijke volkeren van Bolivia. Hier stond het marktleven precies zelden stil, op enkele uurtjes ´s nachts na. ´s Avonds laat werden de kraampjes gewoon ingepakt met plastiek en touw, zodat alles direct klaar stond voor de volgende dag. Op de centrale plaza deden we mee met de locals met het duiven voeren en ijsjes, fruitsla en nootjes eten, de gelatinebekers lieten we voor hen.
Behalve het stadscentrum bezochten we ook Tiwanaku, de belangrijkste archeologische site van het land, maar dat was een teleurstelling. Veel meer dan enkele hoopjes stenen en een zandheuvel die ooit een piramide was, was er niet te zien.
Vanuit La Paz namen we de nachtbus naar Potosí, ooit één van de rijkste steden ter wereld. Nergens ter wereld is er immers meer zilver bovengehaald dan uit de mijnen van Potosí. De mijnen zelf bezochten we niet omdat er nogal veel controverse is rond de mijnbezoeken. De mijnwerkers werken er nog in dezelfde erbarmelijke omstandigheden als 100 jaar geleden en om dan als ´rijke´ toerist naar hen te gaan kijken, vonden we niet zo´n goed idee.
Via een lange busrit over een zeer stoffige zandweg (lees droge rivierbedding omdat ze aan de weg aan het werken waren) reden we verder naar Tupiza in het zuiden van Bolivia. Dit was onze vertrekplaats voor een 4-daagse jeeptocht over de hoogvlaktes van de Andes. Samen met 3 Canadese studenten, een kokkin en een chauffeur brachten we 4 dagen door temidden van lama´s, vicuña´s, besneeuwde vulkanen, bevroren riviertjes, lagunes in alle kleuren van de regenboog, geisers en de grootste zoutvlakte ter wereld. Overdag scheen de zon en was het draaglijk, ´s nachts echter daalde de temperatuur tot ver onder het vriespunt (-15). Hier bleek ook nog eens dat Bolivia niet het meest luxueuze land is: er was geen verwarming of warm water in de slaapplekken. Onze slaapzakken en thermisch ondergoed kwamen goed van pas...
De zoutvlakte zelf was prachtig, wit zover je kon zien, met hier en daar een soort van eiland waar een hoop cactussen groeiden.
Na de 4-daagse namen we de bus naar Sucre, de zogenaamd mooiste stad van het land, wij vonden ze niet zo heel bijzonder en vergaten er foto`s te nemen. Dit zegt misschien meer over ons, die geen stadsmensen zijn, dan over de schoonheid van de stad. We maakten er een daguitstapje naar Tarabuco, een lokaal dorpje waar elke zondag een artesanale markt gehouden wordt.
Nu zitten we in Cochabamba, vanwaar we morgen de tuffi nemen naar een klein dorpje dat aan de rand van de jungle ligt.